Depot

De hussietenstad F. heeft paleizen die zijn opgetrokken uit cyclopische, ruwe stenen, en huizen waarvan de vensters door tralies van smeedijzer worden beschermd. Sommige straten worden omzoomd door hoge muren waarachter een scherm van ondoordringbaar loof oprijst. Het was in deze stad dat de reiziger F.K. zich voortbewoog, op zoek naar een depot voor zijn twee varkensleren koffers. Hij zag zichzelf voor zich: een man op de rug gezien.

In de verte weerklonk het gebrul van schapen die werden verbrand vanwege een wijdverbreide epidemie van mond- en klauwzeer.Maar in de stad zelf heerste een ijzeren stilte. De reiziger kwam langs woontorens met raampjes als schietgaten zo smal, langs een gesloten volkswarenhuis en een met planken dichtgetimmerde spijkerfabriek. De avond, gevoileerd door een nevelsluier, begon te vallen, en de koffers voelden aan als dode varkens die aan de oren moesten worden voortgesleept. Om moed te scheppen keek de reiziger nu en dan naar zijn hemelsblauwe schoenveters of hij tastte naar een 5 mm dik ragertje dat in zijn broekzak zat. De gedachte dat hij diezelfde avond nog dit instrument tevoorschijn zou halen om ermee de ruimte tussen zijn snijtanden te reinigen, hield hem op de been. Weldra besefte hij dat het niet langer zin had voorbijgangers staande te houden om hun te vragen waar zich een depot bevond. Aangezien hij hun taal niet sprak, moest hij met tal van gebaren duidelijk maken wat hij zocht. Maar men begreep hem niet - op hun vale gelaat vertoonde zich niet de geringste rimpeling, en slechts een enkeling verwaardigde zich tot een hoofdschudden of een schouderophalen.

Toen de nacht oliezwart aanspoelde, hielden ook de schapen op met brullen. De reiziger zette de koffers naast zich neer. Hij bracht de panden van zijn jas bij elkaar om ze te kunnen dichtritsen. Maar de harde wind dwarsboomde dit streven. Telkens weer bolde een van de jashelften zodanig op dat het onmogelijk bleek het metalen lipje in de gleuf te duwen. Om hem heen sprongen paraplu's open waaronder de gezichten van de stadsbewoners verdwenen. De reiziger kneep zijn ogen samen: hij zag zichzelf op de rug gezien, staande in een veld van reusachtige zwarte tulpen. Niemand beantwoordde nog zijn blik, niemand zag hoe hij zijn koffers liet staan en naar de rand van de stad liep. Nadat hij daar volledig verregend was aangekomen en geruime tijd had rondgezworven, moest hij tot de slotsom komen dat alle uitvalswegen waren afgesloten. Vanwege het besmettingsgevaar van de epidemie had het stadsbestuur tot deze maatregel besloten, zo viel telkens te lezen op de grote borden bij de wegversperringen.

Ten einde raad keerde de reiziger terug op zijn schreden. Hij haalde het ragertje uit zijn broekzak en al strompelend duwde hij het in de openingen tussen zijn tanden. Uiteindelijk kwam hij weer per ongeluk bij zijn koffers aan, die vermoedelijk door de wind waren omgeblazen en plat op het granieten trottoir lagen. De reiziger opende een van de koffers, verwijderde de inhoud en kroop vervolgens in het varkensleren omhulsel. Terwijl hij het deksel sloot, zag hij zichzelf voor zich: een op de rug geziene man die zijn bestemming heeft gevonden.