Hoogste tijd

Uitgerekend op kerstavond werd hij kroongetuige van het kwaad. Terwijl de kerstboom stond te flonkeren en flirten ging de telefoon. In zijn rechteroor, dat minder wijdmazig was dan zijn linker en daardoor beter hoorde, boorden zich woorden die in slechts enkele seconden zijn hele constitutie verpulverden.

Van beroep was hij horlogemaker. Hij had altijd gedacht dat dit bescherming bood tegen allerlei rampspoed. Hij had altijd gedacht dat hij een volkomen sluitend verhaal kon maken van zijn leven. Op deze kerstavond echter kwam hij tot de ondervinding dat zijn gedachten onverpoosd een niemandsland hadden omheind.

Nu brulde hij. Voor het eerst in jaren brulde hij. Hij brulde zich beurs.

De woorden waren van zijn vrouw geweest. Dat het voorbij was. Dat hij kon oplazeren. Dat ze een ander had. Dat hij de kerstkalkoen alleen mocht opeten.

Omdat hem niets anders te binnen schoot na het brullen zette hij de tv aan. Aangezien hij zijn bril niet kon vinden, keek hij met een verrekijker naar de beverige beelden. Na een tijdje werd zijn rechterarm loodzwaar en liet hij hem zakken tot in zijn onderbroek. Hij nam een kijkje: al dat grijzend schaamhaar. Daarmee waren al zijn kansen op een nieuw leven volledig verkeken, zo stelde hij met afgrijzen vast.

Hij zette de televisie uit en ging zonder zijn gebit te behoeden voor voortschrijdende verrotting, zonder zich uit te kleden ook in bed liggen. Zijn leven was voorbij en toch rukte de politie met groot machtsvertoon uit. Zelden klonken sirenes naargeestiger dan in die nacht. Toen begreep hij het: de dood waarde rond in grootcerimonieel kostuum en aanstonds zouden de wetsdienaren bij hem aanbellen. Hij wist wat hem te doen stond.

Toen de dienders ten slotte de deur hadden ingetrapt troffen ze hem aan in vol ornaat: een levensgroot kerstornament, bungelend als een kettinghorloge aan een wonderschone tak.