Jagen is een nobele aangelegenheid

Met galmend geschal werd de jacht geopend. Wie niet weg was, was gezien.

De vossen waren dat jaar sluwer dan ooit, hun staarten verraderlijke vaandels. Voor Albrecht Mußmann, fier verankerd op een musculeuze ruin, kreeg de dag een onverwacht verloop. Voortjakkerend in blinde geestdrift waagde zijn jachthond Belus een sprong over het prikkeldraad dat een geurige weide omsloot. Het beest bleef hangen, werd opengereten, de buik lag wagenwijd open.

Albrecht Mußmann rukte aan de teugels en met een sierlijke zwaai verliet hij zijn ros. Hij knielde neer in de modder. Vanaf dat ogenblik maakte hij verwoed maar vergeefs jacht op de vleesvliegen die bij honderden neerstreken op de sidderende wonde.