Kroongetuige

Dat alles verdergaat en dat dit niemand verbaast, dat is misschien wel de allergruwelijkste misdaad die het leven voor ons heeft bedacht. Aldus peinsde de commensaal Hendrik Eenhoorn terwijl hij na een dag van berispingen en vernederingen in zijn matrimoniale bed van 1.80 meter breed lag met het oogmerk zo spoedig mogelijk in slaap te vallen. Er waren echter omstandigheden die dit verhinderden. Zoals het feit dat hij niet in staat was zijn ogen te sluiten, noch die welke buitenwaarts waren gericht noch die welke in het armageddon van zijn verbeelding de dienst uitmaakten. Derhalve zag hij tegelijkertijd wat zijn netvlies registreerde en datgene wat zijn innerlijk oog hem voorspiegelde: een halfvleugelige onder de lakens, kroonluchterkristal boven hem, luisterrijk en met een grijns van glas die zegt: aanstonds zal ik je verpletteren, je gezicht versplinteren.

De echtgenote van Hendrik Eenhoorn daarentegen sliep met het grootste gemak, alsof er nooit iets was gebeurd, nooit meer iets zou gebeuren. Zo dichtbij lag ze en zo ver weg was ze. De commensaal dacht deze vrouw heeft een stuk stront van je gemaakt waarin je jezelf elke dag opnieuw wentelt, keer op keer, om haar nader te kunnen komen.

Een meer geoefend oog zou echter opgemerkt hebben dat de kroonluchter er nog veel beroerder aan toe was dan zijn gebieder. Hij had allang de hoop opgegeven dat hij ooit nog eens uiteen mocht spatten op het van weerzin vervulde gezicht van de wakkere commensaal of op de weerzinwekkende tronie van diens slapende echtgenote. Rotsvast zat hij verankerd in de zoldering, veroordeeld tot een schaamtevol schitteren of een duister wachten. Lonkend lag het echtpaar daar, gereed om verwoest te worden, en tezelfdertijd lichtjaren verwijderd van een mogelijke ontmoeting met de kroonluchter.

Slechts een aardbeving kon nog uitkomst bieden in deze uitzichtloze situatie.