Natte droom

Als hij de deur van ijsglas opent is alles daar, op z'n plaats: de weegschaal, het mondwater, de groene glasbeker met de elektrische tandenborstel, de badstof overtrek op het wc-deksel, het badzout, de spiegel boven de wastafel, het rode kruis op het medicijnkastje.

Ootmoedig betreedt hij deze gewijde ruimte - een celebrant is hij wanneer hij de kranen van de badkuip opendraait. Dampen stijgen op en verwijderen gestaag zijn gezicht in de spiegel, hetgeen hij een heuglijke omstandigheid acht. Hij zou welhaast durven beweren dat hij nu deel uitmaakt van de badkamer, zoals het bidet of het handdoekrekje.

Als hij de kranen dichtdraait geeft de spiegel wat terrein prijs: langzaam wordt De Slaaf van Michelangelo uitgehouwen. Het is ontegenzeggelijk zo dat hij zijn meest gelukzalige momenten beleeft als hij zich in de met warm water gevulde badkuip heeft geïnstalleerd. Urenlang blijft hij er, niet langer in gepeins verzonken maar ondergedompeld in een allengs lauwer wordende vloeistof, als in formaline.

Water worden, vloeibaar zijn, in staat om de dingen te doordrenken of ze mee te slepen en tegelijkertijd ongrijpbaar zijn, gereed te verdampen: dat is zijn diepste geheim, zijn natte droom, waarvoor hij zich schaamt zodra hij de rubberen dop uit de metalen navel rukt en alles om hem heen wegstroomt zonder hem mee te nemen. Alleen blijft hij achter, een schipbreukeling neergesmeten op een landtong van wit email, verdwaasd toekijkend hoe de laatste sporen van zijn schandelijke exodus worden uitgewist.