Interviews


 

Roberto Calasso

Interview met Roberto Calasso
n.a.v. zijn boek K
Uit: NRC Handelsblad (CS), 18 november 2005

Praten met Roberto Calasso betekent niet alleen een ontmoeting hebben met een erudiet en eloquent man, maar ook voortdurend geconfronteerd worden met paradoxen. Vrijwel elk antwoord van de Italiaanse schrijver, essayist en uitgever is een eerbetoon aan dit stijlmiddel. Zelfs zijn voorkomen heeft iets paradoxaals. De stropdas keurig ingekaderd door een gilet, dat op zijn beurt gevat is in een onberispelijk pak, geworteld in glanzende gaatjesschoenen. De haardos verraadt evenwel een flamboyante toets, is het zinbeeld van schalkse esprit. Een gesprek met Calasso gaat echter nooit over uiterlijkheden, gaat de diepte in, heeft een hoog abstract gehalte dat wordt verlevendigd door voorbeelden uit de wereldliteratuur en verhalen. Een werveling van woorden die geregeld tot stilstand komt en door stiltes wordt doorsneden. Alsof je de akoestische versie krijgt voorgeschoteld van het laatste boek dat Calasso heeft geschreven en waarvoor hij naar Amsterdam is gekomen: K. Een boek vol witregels en duizelingwekkende wendingen. Een boek over de boeken van Franz Kafka.

Na indrukwekkende essays aan onder meer de Griekse en de Indiase/vedische mythologie (respectievelijk De bruiloft van Cadmus en Harmonia en Ka) te hebben gewijd, achtte de Florentijnse directeur van uitgeverij Adelphi, Dr. Roberto Calasso, de tijd rijp om de confrontatie aan te gaan met de Praagse werknemer van een arbeidsongevallenverzekeringsmaatschappij, Dr. Franz Kafka. Een precaire opdracht, want een dergelijke onderneming betekent au fond willen doordringen in het oeuvre van een schrijver die zijn hele leven niets anders heeft gedaan dan te wijzen op de ondoorgrondelijkheid van de werkelijkheid. Kafka's romans en verhalen zijn bovendien het meest steekhoudende bewijs van die fatalistische gedachte. Menige onderzoeker of criticus zal ontmoedigend snel tot de conclusie komen dat Kafka, zoals Walter Benjamin het ooit treffend verwoordde, "alle mogelijke maatregelen tegen de interpretatie van zijn teksten heeft getroffen." En niettemin hebben tal van exegeten met een haast masochistische gretigheid hun tanden willen stukbijten op de gepantserde vertellingen van de joodse auteur.

Ook Calasso heeft die gevaarlijke verleiding uiteindelijk niet kunnen weerstaan, zo bekent hij. "Ik heb me altijd op een bepaalde manier aangetrokken gevoeld tot Kafka, maar ik vermeed ook steeds over hem te schrijven. Ik noemde hem hooguit zijdelings. Totdat ik me ineens geroepen voelde dat terrein toch te betreden en het was alsof ik werkelijk een land binnenging, of beter gezegd een enclave. Het is ongetwijfeld waar dat dit land eigenlijk ondoordringbaar is. Maar ook het tegendeel is waar, want meer dan welke schrijver ook van de twintigste eeuw trekt Kafka je zijn verhalen binnen - het is onmogelijk daaraan te ontsnappen. Je begint aan Het proces en al na drie regels ben je gevangen. Je bevindt je dus in een land dat overloopt van de betekenis en dat tegelijkertijd alleen maar begrepen kan worden binnen de termen van de taal die in dat land wordt gebezigd. Ik heb geprobeerd die taal te gebruiken, wat een bijzonder moeilijke opdracht was. Daarbij heb ik geprobeerd de meest elementaire vraag te beantwoorden: waarover wordt er gesproken in de romans en de verhalen van Kafka? Dit is de paradox: elke lezer voelt zich betrokken bij Kafka, maar er bestaat een grote onzekerheid over wat Kafka nou precies zegt. Niet voor niets wijzen de interpretaties met betrekking tot Kafka in alle mogelijke richtingen."

Daarnaast was er voor Calasso nog een andere reden om zich met Kafka te meten. "Dit boek over Kafka is voor mij het vierde binnen een reeks: het eerste boek was De ondergang van Kasj, het tweede De bruiloft van Cadmus en Harmonia, het derde Ka en het vierde is dus K. Weliswaar gaat het hier om autonome werken, die dus los van elkaar gelezen kunnen worden, maar tegelijkertijd zijn ze ten nauwste met elkaar verbonden. Ze verwijzen naar elkaar, maar elk boek volgt een geheel eigen weg." Calasso's boeken tonen steeds weer aan dat de literatuur haar wortels heeft in de mythologie. Zelfs in zijn voorlaatste boek, De literatuur en de goden, over de "absolute literatuur" van schrijvers als Lautréamont en Mallarmé, weet hij aannemelijk te maken dat schrijvers die zich tot taak hadden gesteld de wereld te ontheiligen en te ontmythologiseren, uiteindelijk toch een bijzondere verhouding hebben tot het goddelijke en kracht putten uit de mythologie. Maar hoe zit het dan met Kafka en de mythologie? "Kafka is een paradoxaal geval. Elk mythologisch systeem is een immense boom die zich vertakt in verhalen, varianten, goden, tussenpersonen. Het werk van Kafka is echter gebaseerd op een proces van reductie, van het reduceren van de dingen tot primaire en minimale elementen - het tegenovergestelde dus. In zijn boeken tref je heel weinig expliciete verwijzingen aan van mythologische en religieuze aard. Maar tegelijkertijd zijn alle krachten die bijvoorbeeld een rol spelen in de Griekse mythes, aanwezig. De steeds terugkerende thema's in de mythologie zijn dus verborgen aanwezig bij Kafka. Daarom is het dus zaak om ze met grote behoedzaamheid bloot te leggen én te begrijpen waarom Kafka dat proces van reduceren nodig achtte. Dat laatste heeft volgens mij te maken met de situatie waarin de wereld zich bevond in de tijd waarin Kafka leefde en waarin ook wij nog steeds leven. En dat is een tijd waarin het onmogelijk is de krachten waardoor wij worden bepaald te benoemen terwijl de druk van die krachten tegelijkertijd erg hevig is."

Om het mythische krachtenveld in Kafka's oeuvre te onthullen bedrijft Calasso intellectuele acrobatiek, zoals hij dat ook al deed in De literatuur en de goden. Bij zijn poging zich een weg te banen in het mistige en tegelijkertijd angstaanjagend heldere universum van Kafka's roman Het slot maakt hij de meest wonderlijke sprongen, waarbij vedische zieners, het Tibetaanse Dodenboek, Plato, de opera buffa en de verhouding van Io met Zeus de revue passeren. De japonnen van de waardin van de Herenhof in Het slot noemt hij "tempelparamenten" en hij schrijft dat de plaats waar Het slot zich afspeelt, ligt in "het overgangsgebied tussen vyakta en avyakta", tussen het zichtbare en het onzichtbare, waarmee hij een brug slaat naar Ka, zijn verhalenbundel over de wereld van de Indiase goden en natuurverschijnselen. Tegelijkertijd beweert Calasso in K. dat het uiterst ongepast is om in verband met Het slot te spreken over goden, God en het goddelijke. Ook van deze paradox is Calasso zich meer dan bewust: "Het is een ingewikkelde kwestie. Enerzijds bestaat er geen enkele directe relatie tussen Kafka en de Indiase mythologie. Nergens blijkt uit dat Kafka de grote vedische teksten heeft gelezen of ook maar enige interesse toonde in India. Tegelijkertijd is het onvermijdelijk een verband te zien tussen bepaalde premissen van de vedische metafysica en bepaalde aspecten van Kafka. De relatie tussen dat wat zich manifesteert en dat wat verborgen blijft, een van de grote Indiase thema's, is bijvoorbeeld iets wat voortdurend voorkomt bij Kafka. De verhouding tussen het slot en het dorp in Het slot kan alleen maar worden begrepen als een verhouding waarbij het zichtbare en het onzichtbare elkaar beurtelings aantrekken en afstoten. En daarbij gaat het om een haast erotische verhouding. Heel Het slot is een weefsel van erotische verhalen, iets wat de kritiek vreemd genoeg altijd over het hoofd heeft gezien. Het is een vrouwenvertelling, de scharnieren van Het slot bestaan uit verschillende vrouwenfiguren - Pepi, Frieda, Amalia en de waardin zijn de ware priesteressen van deze cultus van het zichtbare en het onzichtbare. Als je dat aspect niet vat, mis je iets wezenlijks. Anderzijds is het zo dat K., de protagonist van Het slot, zich in een wereld bevindt waar het woord religie nooit wordt genoemd. In het dorp waar de handeling zich afspeelt lijkt er niet eens een kerk te zijn. Alsof men daar geen behoefte aan heeft. En toch houdt men zich in dat dorp voortdurend bezig met die archaïsche band tussen wat concreet is en dat wat ongrijpbaar is, wat de wereld van de goden zou kunnen zijn."

Van Ka naar K. dus. Wie Calasso's boek Ka heeft gelezen, zal moeten toegeven dat de wereld van de vedische mythes in zoverre lijkt op het kafkaiaanse universum, dat in beide werelden niets vaststaat; alles verandert er continu en begint steeds weer opnieuw. Prajapati of Ka, de voorgoddelijke, vertegenwoordigt in de vedische vertellingen de realiteit voorafgaand aan de wereld der goden. Kafka's K., zou je kunnen zeggen, is wellicht een afgezant van de werkelijkheid ná de goden. In hun exemplarische en tegelijk buitenissige en schimmige identiteit zijn ze volgens Calasso verwant aan elkaar. "Hun gelijkenis is essentieel, want elke lezer van Het slot voelt dat het personage dat K. heet iets unieks heeft, wat niet overeenkomt met doorsnee romanpersonages, die een bepaald profiel hebben en goed, slecht, miserabel, nobel of wat dan ook zijn. Bij K. is dat niet het geval. Hij is de potentialiteit zelve. Dat is het volstrekt nieuwe en innovatieve van Kafka in de geschiedenis van de literatuur. En als je dat belicht, moet je wel haast verwijzen naar de vedische mythologie. Prajapati, de vedische god en stamvader van alle goden, neemt jegens de goden dezelfde positie in als de K. van Kafka doet ten opzichte van de personages van de grote 19de-eeuwse romans."

In zijn boek probeert Calasso niet alleen de identiteit van Kafka's personages Josef K. en K. te ontsluieren, maar poogt hij eveneens de procedures en de fijnmazige regelgeving van zowel de rechtbank in Het proces als het bestuurlijke apparaat van het slot (in de gelijknamige roman) in kaart te brengen. De manier waarop hij dat doet weerspiegelt in zekere zin de vertelmethode van Kafka. Elke zin is geladen met betekenis en zijn betoog beweegt zich spiraalsgewijs voort, in concentrische cirkels die geregeld onderbroken worden door kronkelige zijpaden. Die voorliefde voor het labyrintische lijkt Calasso te delen met Kafka. "De vorm van mijn boeken is inderdaad nooit lineair, maar eerder stereoscopisch en cirkelvormig. En als je over Kafka wil schrijven is een dergelijke vertelvorm zelfs een verplichting. Het zou misleidend zijn om rechttoe, rechtaan over zijn werk te spreken. Sommige delen in K. hebben een direct verband met elkaar, maar er zijn ook delen waar de door witregels gescheiden fragmenten kleine constellaties moeten vormen. Het hele boek heeft een afwijkende vorm: ik begin met Het slot, dat in zekere zin het centrum vormt, en tegen het einde kom ik weer terug op die roman. Ook aan Het proces besteed ik veel aandacht. Het proces en Het slot zijn twee labyrintische werelden bij uitstek, waarvan ik wilde aantonen hoe ze verband met elkaar houden. Dat is iets wat je zelden behandeld ziet in de enorme literatuur over Kafka, dat wil zeggen het feit dat Het slot eigenlijk een vervolg is van Het proces en dat er een zeer nauwe relatie tussen die twee boeken bestaat. Josef K. wordt in zekere zin K., en dat is iets wat ik in detail wilde laten zien. En het detail is van beslissend belang. Wat een goed begrip van Kafka in de weg staat is dat men vaak heel veralgemeniserende noties op hem heeft losgelaten, zoals 'de boze maatschappij', 'de veroordeling', 'de genade'. En dat zijn noties die verhinderen het detail te zien, terwijl Kafka juist een formidabele schrijver van details is, die je één voor één moet volgen."

Ook in die zin lijkt Calasso's benadering op de aanpak van Kafka, die in K. onder meer als volgt wordt beschreven: "De minitieuze beschrijving van een gebaar, een opmerking over het weer en een schending van de wet worden op hetzelfde niveau behandeld en volgen elkaar zonder noemenswaardige sprongen op." Bij Calasso is het niet anders. Hij weidt uit over de relatie tussen schuld en schoonheid in Het proces, over de dunne scheidslijn tussen uitverkiezing en veroordeling, over de "lyrische nuchterheid" van de Praagse schrijver, over de talloze schakeringen van het buitenstaanderschap in diens werk, over het onverstoorbare ritme van de kafkaiaanse vertelling in combinatie met de buitensporigheid van de vertelde feiten. Maar net zo goed staat hij uitgebreid stil bij de betekenis van de "twee tere dameszakdoekjes" in Kafka's gruwelijke verhaal 'De strafkolonie', bij het nachthemd van de diabolische vader in 'De veroordeling', bij de kleding van Josef K. als de beulen hem komen halen. Of hij bespreekt de functie van de gelagkamer ("een bordeel in effigie") in Het slot, van de zoldervertrekken in Het proces en van de deuren in 'De gedaanteverwisseling'.

Schrijven betekende voor Kafka "een manier om uit de ondergrondse wereld naar boven te komen" (zoals hij in zijn dagboek schreef), maar tegelijkertijd "een afdaling naar duistere machten", een gevecht met de demonen. Calasso herkent die attitude: "Wat Kafka over het schrijverschap zei, geldt ook voor het schrijverschap op zich. Dat wil zeggen als je schrijven beschouwt als een absolute activiteit, zoals beschreven in mijn boek De literatuur en de goden. Daar gaat het om een literatuur die een metafysische dimensie ontdekt in de verbeelding en de taal, een literatuur van epifanieën. Kafka maakt deel uit van die literatuur, die een literatuur is die zichzelf een aantal uitdagingen stelt. Voor Kafka was schrijven welhaast een sjamanistische opdracht. In zijn verhalen is een belangrijke rol weggelegd voor demonen, zoals altijd het geval is bij wezenlijke zaken. Jazeker, wezenlijke zaken. We bestaan immers uit demonen. Zonder demonen stellen we helemaal niets voor."